Warmte, kleur, ‘ik’ en ik-organisatie – een verslag van de lezing die ik gaf op 8 feb. 2026, bij stichting Kore in Arnhem.
Toen ik 14 was had ik altijd een regenboog bij me. Maar toen ik kunstenaar werd kwam het besef: ‘ik weet niet wat kleur is. Ik kan het niet kennen.’ Dat kwam door de natuurkundeles, waar ik Newton’s kleurenleer als waarheid aannam. Mijn belangrijkste vroege werk – in zwart-wit – ging over ‘denken’, vanuit de ingeving ‘denken is: je haalt een idee uit jezelf, je legt het op tafel en dan kijk je ernaar’. Nog altijd vraag ik me af: hoe schilder je dan een gevoel? Waar ik achter kwam: net zoals je naar je eigen denken kan kijken, kun je ook innerlijk de waarnemer zijn van je eigen gevoelens. Alleen de beweging is anders. Je denken plaats je buiten je om het te kunnen waarnemen, maar een gevoel kun je alleen waarnemen terwijl je het beleeft. Iets soortgelijks geldt voor de kleuren.
Waar ‘licht’ de buitenkant is van het denken, en ‘duisternis’ de buitenkant van ‘wil’ of handelingspotentieel, is kleur een beeld van het hele gebied daar tussenin – van alle mogelijke verbindingen die we beleven als gevoel. Licht en donker is een hele zinnige manier om naar kleuren te kijken en Goethe toonde ons hoe je in de atmosfeer kunt zien, hoe ze daar in real-time en zuiver optisch ontstaan.
Zonlicht komt naar de aarde – onzichtbaar zolang het nergens op of in kan vallen. Pas waar het onze aarde-atmosfeer raakt, wordt het zichtbaar en het meeste daglicht, zoals wij het kennen, wordt zichtbaar aan de aarde. Vanaf daar reflecteert het als zichtbaar licht terug de atmosfeer in. Als wij op een mooie dag buiten staan, dan staan we in dat licht en kijken, door kilometers lucht heen, naar de achtergrond van de grote donkere kosmos. Dan zien we blauw – simpel gezegd: blauw en violet zijn kleuren achter het licht, licht is de actieve factor in het ontstaan van deze kleuren. Die beweging voel je erin terug. In de schemering daarentegen, als de zon heel laag staat, is het gedeelte van de atmosfeer dat oplicht ver weg van ons, deels achter de horizon. Vanuit ons standpunt zien we hoe dat licht gestuwd wordt door wolken en lucht die troebel is door waterdamp en stofdeeltjes – waar het licht er nog makkelijk doorheen komt zien we geel. Waar het meer en meer gestuwd wordt door verduistering, wordt het steeds roder. Geel en rood kun je noemen: kleuren vóór het licht. Duisternis is de actieve factor in het ontstaan van deze kleuren. Goethe ontdekte zijn kleurtheorie door zijn waarneming van de gekleurde randen in een prisma. Daar zie je, aan elke grens tussen zwart en wit, een blauw-violette rand of een rood-oranje-gele rand – bepaald door de richting waarin het beeld zich verplaatste: waar zwart het wit wegduwde zie je de rode rand en waar wit het zwart wegduwde, de blauwe rand.
Nergens in die luchtmassa, of het prisma, zijn er gekleurde deeltjes aan te treffen: de kleuren ontstaan zuiver optisch door het spel tussen licht en verduistering, zoals je het ziet vanaf het punt waar jij staat. Je kan niet zeggen hoe ver weg de kleur is. Feitelijk doet dat er niet toe – voor onze waarneming van kleur is alleen relevant hoeveel van ons waarnemingsveld het in beslag neemt, als vlak. Kleur is een twee-dimensionaal fenomeen. Het is innerlijk en uiterlijk tegelijk – verschijnende warmte, zou je kunnen zeggen. Zo noemt Rudolf Steiner het ook. Dus enerzijds kun je over kleur denken in termen van licht en duisternis, anderzijds in termen van licht en warmte.
Kleuren leggen een brug tussen licht en materie, worden in beide vormen zichtbaar, al zijn de mengwetten tegengesteld. Als je licht mengt met spots in het theater, zijn rood, groen en ultramarijn-blauw je primaire kleuren. Je hebt ze nodig om geel, magenta (helderroze) en cyaan (helder lichtblauw) te mengen, en alle drie samen mengen ze tot wit licht. Met verf is het andersom, daar zijn geel, magenta en cyaan de kleuren die je nodig hebt om rood, groen en ultramarijn-blauw te kunnen mengen. En alle drie samen gemengd tonen ze de kwaliteit ‘zwart’. Als we het hebben over materie of de elementen, is warmte het enige medium dat op dezelfde manier een brug vormt tussen licht en materie, of geest en materie.
Als schilder ben ik wit en zwart tot de kleuren gaan rekenen omdat ze, net als de andere kleuren, zich kunnen tonen al zelfstandige, lichaamsvrije optische kwaliteiten. Soms verschijnen ze zonder dat je ze geschilderd hebt. Een voorbeeld: ik schilderde met okergeel en wit, op een wit doek. Daarna deed ik er een lichtere laag van dezelfde kleuren overheen, en plots zou je zweren dat er een vlak met zwarte verf onder zat. In het klassieke schilderen kun je niet zonder wit en zwart, en een gemengde zwart toont de pure, optische kwaliteit van het zwart veel mooier dan een zwart uit de tube.
Kleuren, als optische kwaliteiten, roepen elkaar op in een setje van drie hoofdwetten: projectie (in de zin van ‘zichzelf-betrekken-op’), contrast en interval. Ze gedragen zich daarmee als een immaterieel maar levend organisme. Volgens embryoloog Jaap van der Wal is ons organisme iets dat al bestaat voordat het incarneert. Het is er, verzameld uit alle planeetsferen, maar om zich te kunnen ontwikkelen moet het ergens grip op krijgen. Het moet incarneren. Het organisme verbindt zich met een bevruchte eicel – levende materie – en dán manifesteert zich de polariteit van ‘geest’ en ‘materie’. Vervolgens geven we onszelf, als organisme, vorm in die polariteit, tussen geest en levende materie, elke incarnatie opnieuw. Planten en dieren doen het op dezelfde manier al werkt hun ‘ik’, en bij planten ook hun astrale lichaam, van buitenaf. Bij mineralen is dat waarschijnlijk ook zo – zij het over véél langere tijdperioden omdat ook hun etherlichaam van buitenaf werkt. Hoe zou dat zijn met de kleuren?
Ik denk dat je kan zeggen: kleuren zijn kwaliteiten met een eigen geestelijk bestaan – fysiek, maar niet materieel. Ze ‘incarneren’, als optisch verschijnsel, in de polariteit licht en donkerte, witheid en zwartheid, zoals die zich kan manifesteren in een ‘troebel medium’ – bijvoorbeeld lucht – waarin transparantie en vertroebeling is. Kleuren van mineralen, die erin lijken te zitten, zeggen iets over de geestelijke herkomst ervan. Maar kleuren roepen ook elkáár op. Ten eerste, ze stralen hun kleur af in de omgeving. Bij een gekleurde lamp is dat het duidelijkst zichtbaar, maar ook geverfde muren stralen hun kleuren af. Vervolgens roepen ze elkaar op door middel van contrast. Zet een grijs vlakje in een groot, geel vlak en het gaat er paarsachtig uitzien. Hetzelfde grijze vlakje ziet er geelachtig uit, als je het in een groot paars vlak zet. Zo zit onze waarnemings-constitutie in elkaar. Ook buiten ons werkt kleur op die manier. Als je met een gekleurde lamp op een voorwerp schijnt, en er schijnt nog wat ander (wit) licht op de schaduw achter het voorwerp, dan krijgt deze een exact tegengestelde kleur die ook duidelijk te zien is op de foto die je ervan maakt.

Zodra er twee contrasterende kleuren zijn die levendig betrokken zijn op elkaar, met een beetje witruimte ertussen, kan het fenomeen ‘interval’ zich laten zien: een derde kleur die zich manifesteert als nieuw midden, niet door menging. Het kan verschijnen in de atmosfeer, en op je schilderij kan het zich zuiver optisch laten zien, als de kleuren zijn aangebracht in één onderliggende harmonie tussen licht en duisternis. Meestal is het magenta of perzikbloesem, een helder roze, precies tussen blauwachtig en roodachtig in. Het ontstaat tussen een geel, oranje of rood enerzijds, en een blauw of violet anderzijds. Het groen in de regenboog is ook een intervalkleur. De regenboog is kleur in de vorm van licht. Zou je geel en blauw licht mengen, dan zou er wit ontstaan – geen groen. Groen en magenta worden door Rudolf Steiner, samen met wit en zwart, beeldkleuren genoemd. Ze geven een indruk van vaststaande rust, heel anders dan rood, geel en blauw, die je innerlijk in beweging brengen. Rudolf Steiner noemde ze ‘glanskleuren’. Ook geel en blauw kunnen optreden als intervalkleuren (zie afbeelding)

Als de kleurencirkel een mens zou zijn, of een ziel, dan zou je zeggen: wit en zwart scheppen de glanskleuren, en de glanskleuren samen scheppen het groen en magenta. Waar wit en zwart het beeld zijn van ‘bewustzijn’ en ‘wil’, zijn groen en magenta het beeld van onze ‘ik’ en ik-organisatie, de warmte zonder welke onze ziel niet zou kunnen incarneren. Groen staat voor de manier waarop we onze individualiteit vormgeven in ons lichaam, via ons zenuwstelsel – dat in ons zit als een omgekeerde plant – wat ons de mogelijkheid geeft vrijheid te ontwikkelen. Magenta staat voor het licht dat leeft in ons gevoel, dat ons verbindt met alles om ons heen. Magenta staat voor ons vermogen om liefde te ontwikkelen. Zwart en wit, staan voor bewustzijn en wil zoals we ze van buitenaf zien – ook onze menselijke bewustzijn en wil. Groen en magenta laat in een polariteit zien hoe on ‘ik’, onze geest, onze individualiteit, ín ons leeft en werkt, en de glanskleuren vormen de verbinding daartussen. De glanskleuren, zou je kunnen zien als het beeld van de zielekwaliteiten, die we ons proberen eigen te maken – in en via ons warmtelichaam, de warmte van onze ziel. In hoeverre dat al gelukt is, merk je als je je kleuren objectief-gezond probeert te schilderen naar de wetmatigheden van licht en duisternis, bijvoorbeeld naar de methode van Liane Collot-d’Herbois. Als je die leert, ben je een week of langer met één kleur bezig. Soms is er dan een kleur die als vanzelf uit je handen valt, helemaal schoon en gezond, op je papier. Voor andere kleuren moet je keihard werken om zo’n resultaat zelfs maar te benaderen.

Elke kleur vertegenwoordigt daarbij een levensgebied. Geel, oranje en rood hebben te maken met activiteit, geel dichtbij de bovenpool – communiceren, fantaseren, ideeën en mensen verbinden, ideeën zuiver weer kunnen geven en conclusies trekken. Oranje heeft te maken met je gedragen weten door het leven, de flow in je dagelijkse leven, werken, organiseren, ordenen. Rood gaat o.a. over het vermogen om materie te verzetten, veranderen of transformeren. In de blauwen is ons waarnemen en denken de vormende kracht, ze hebben te maken met de kwaliteit van ons beschouwende bewustzijn – turquoise met het waarnemen van wetmatigheden en ideeën, cobaltblauw met het kunnen waarnemen van dat wat gezond is, ultramarijn met een meer invoelende waarneming, violet met het diep kunnen schouwen in dat wat je intuitie zou noemen. Ik wou dat ik hier uitvoeriger kon zijn.
Maar laten we proberen te kijken hoe de kleuren zijn ontstaan. Door de sterke affiniteit met warmte, zou je denken aan de oude saturnus. Hoe Rudolf Steiner die omschrijft – de Thronen die hun wil offeren, Cherubim die dit offer accepteren en er hun wijsheid in laten leven, de Archai die daar geboren worden als ‘tijd’, als ‘geesten der persoonlijkheid’, om in díe toestand hun verzelfstandiging door te maken – het komt eigenlijk zo mooi overeen met hoe Goethe dacht over kleur: als iets dat ontstaat tussen licht (wijsheid) en donkerte (wil). Ons fysieke lichaam ontstond ook daar, doordat de Archai ‘lenzen’ vormden uit warmte om mee te kunnen waarnemen – wat nu ons fysieke lichaam is, begon als het zintuig van een ‘Geest der Persoonlijkheid’, een Archai. Nog altijd heeft het mensenlichaam een heel specifieke warmte – 37 graden, méér of minder moet het niet zijn. Maar volgens Rudolf Steiner kun je pas op de Oude Maan spreken over kleuren. – en moeten we, om kleur te begrijpen, weten welke rol het boze heeft gespeeld in onze evolutie.
Steiner omschrijft hoe al op de Oude Saturnus een deel van het offer van de Thronen werd afgewezen, en dat dit zich herhaalde op de Oude Zon, waar de Aartsengelen ‘mens’ werden, ofwel een ontwikkeling doormaakten naar zelfstandigheid. Op de Oude Maan ontstond er een geweldige strijd, tussen de achtergebleven engelen (machten, krachten, heerschappijen) en zij die naar behoren waren geëvolueerd. De laatsten trokken zich terug in een eigen zonne-lichaam, terwijl wij als mensen-in-wording achterbleven op de zich verder verdichtende oude maan, samen met alle achtergebleven wezens. In deze toestand maakten de Angeloi hun ontwikkeling naar zelfstandigheid door, en in dit proces werd ook ons astrale lichaam geweven. Veel meer dan ons fysieke en etherische lichaam, is ons astrale lichaam vatbaar voor allerlei dat onze ontwikkeling lijkt te remmen: angsten, begeerten, weerstanden. De engelen waren in hun ontwikkeling aldoor doende om te bewegen en bruggen te leggen, tussen ‘zon’ en oude Maan, tussen dat wat was achtergebleven, en dat wat aan de top van z’n ontwikkeling stond. Volgens Rudolf Steiner moeten we het dáár het ontstaan van de kleuren zien.
Het boze is volgens Steiner niet per ongeluk ontstaan. Het offer van de Thronen werd bewust, voor een deel, afgewezen omdat anders geen vrijheid zou kunnen ontstaan. Het hoorde bij het plan van de Goddelijke drie-eenheid, die zich via het Christuswezen vanaf het eerste begin verbond met de mens en zijn ontwikkelingsdoel: zich uit eigen kracht, in vrijheid, tot zijn schepper te kunnen wenden. Zó dat hij het ook kan laten. De mens zou in staat zijn tot alle kwaad, maar in zijn vallen en opstaan iets scheppen dat nog niet bestond: een in vrijheid geschapen liefde, bestaande uit de substantie van het omgevormde boze. Waar nodig werden we geholpen – Christus harmoniseerde onze zintuigindrukken, zodat ze niet vervormd zouden raken door onze sym- en antipathieën. We zien werkelijk dezelfde kleur, als we samen naar een kleur kijken. Alleen onze beleving ervan is niet persé hetzelfde. Elke kleur vertegenwoordigt een levensgebied waarin een trauma kan liggen dat tot uitdrukking komt in hoe we die kleur beleven. Een jonge vrouw die oranje niet verdroeg, kon niet overweg met de manier waarop haar moeder haar doen en laten wilde bepalen. Een man die heel verdrietig werd van karmijnrood, leek zich door die kleur plotseling bewust te worden van een enorm gemis aan liefdevolle verzorging. Zelf werd ik ooit totaal ‘down’ door in een blauw glas te kijken, kennelijk had ik daar nog iets te leren. Soms kan de beleving van een kleur ook direct verbonden zijn geraakt aan een nare herinnering.
Maar wie de eigen ziel laat zwijgen bij het verzinken in de waarneming van een kleur, kan per kleur een hele specifieke – positieve – werking ervaren, krachtig en direct, alsof die zo op je overspringt. Bijvoorbeeld het lentegroen dat Rudolf Steiner een ‘troostbrenger’ noemde, voelde ik als een krachtige dosis troost die mij werd toegediend, toen ik het groen van een opengesneden prei op me in liet werken. Vlak daarvóór was ik nog heel verdrietig. Licht, kleur en duisternis speelden ook in het Manicheïsch christendom een grote rol – Mani was een schilder. Het Christuswezen is verbonden met de kleuren en is te vinden in de kleuren, die daardoor bezield kunnen zijn met geweldige morele kwaliteiten – als je ervoor open wil staan. Je zou kunnen zeggen: de kleuren laten ons dan zien, hoe we ons vrije ‘ik’ optimaal kunnen realiseren en werkzaam laten zijn, in elk levensgebied, via onze ziele-warmte – of technisch gezegd, onze ik-organisatie.
Het ruimtelijk leren werken met kleur kan ons een idee geven van wat ‘imaginatie’ zou kunnen zijn, het helder-zien waar Rudolf Steiner het over had. Kleuren zijn twee-dimensionaal, maar je kunt je 3-dimensionale ik-bewustzijn er in leren meenemen. Wakker dromen, zou je het kunnen noemen. Je blik uit focus, de ziel zwijgt, en je punt van aandacht, je innerlijke waarnemer, wakker aanwezig. Zo verandert je twee-dimensionele bewustzijn (voelen, droom-toestand) in een vier-dimensioneel bewustzijn (bewust beeldbewustzijn).
Perspectief speelt hierin een rol. Het verdwijnpunt is het punt waaraan het ‘ik’ zich spiegelt. Een groene en magenta bril geven elk een uitgesproken eigen perspectiefbeleving. Groen zet ons in met materiële, sec-drie-dimensionale bewustzijn waar het verdwijnpunt ligt in de verte. In magenta ervaar je het omgekeerde: je voelt de verbinding in plaats van de afstand. Het perspectief is omgekeerd, in jezelf ligt het verdwijnpunt, en wat verder weg is wordt steeds groter, zoals je kunt zien en beleven aan een Russisch ikoon, of aan de wolken. Eigenlijk is dit het soort perspectief waarin je de kleuren in hun innerlijkheid beleeft. In het combineren van deze twee soorten perspectief, wordt het mogelijk om te navigeren in de nog niet vormgegeven ruimte. Er tussenin kan een punt ontstaan dat voelt als ‘ik’, maar dan buiten je lichaam, alsof je fysiek samenvalt met iets anders. Dat is gewoner dan je denkt want ons ‘ik’, de punt van onze focus, is voortdurend aan het reizen als we om ons heen kijken – alleen buiten ons slaapt het meestal.
Het mooie aan dit soort oefeningen vind ik dat het geestelijke zich bínnen je zintuigindrukken lijkt te kunnen ontwikkelen. Al zijn kleurmeditaties ook een goede manier om kennis te maken met de werkzaamheid van de kleuren. Als je een kleur zó mediteert dat je hem werkelijk ziet, voor je geestesoog, komt die werkzaamheid vaak mee. Onderzoek op dit vlak gedijt het allerbest als het gedeeld wordt in een groep mensen, eenzijdigheden worden er dan uit gefilterd en bovendien is het heel stimulerend om over dit soort dingen te kunnen uitwisselen.

Schilderij, ‘licht en materie’ (ca. 2005)